Nooit zal ik mensen willen of kunnen begrijpen want achter de mooie schijntoon gaat iets lelijks schuil: Het zelf!

Voorheen dacht ik dat het uiterlijk vertoon de enige onruststoker was in mijn leven waardoor de mooie vaas van de kast afdondert: Heel maken kan niet meer want het valt uiteen in duizenden splinterstukjes.

Wat kan het leven toch prachtig zijn maar ter gelijke tijd broos en zwak.

Een klodder verf is een prima metafoor in dit geheel.

Maar deze klodder verf is grillig van vorm en structuur.
Oppassen is de enige hoop want elke weerlegging is weer een tegenweerleging.
Elke scheet of elke stap die naar buiten gezet moet worden is de vreselijke determinisme effect op de ander. Waarom kan ik nooit schoon zijn en mijzelf voor eeuwig opsluiten diep in der kerkers van mijn eenzame bestaan: De mens verdien ik niet, en ik zal hen nooit ten nimmer willen begrijpen.

Ooit dacht ik dat ik vanuit mijn egoïstisch breincentrum de enige voor mij geldende levende wezen was met gedachtes en dat andere gedachtes een grote mysterie bleken te zijn, maar nu ik steeds meer naar buiten toe treed hoe beroerder mijn ziel zich zal voelen. Ik ben niet alleen, alleen, maar ook een machteloos hopeloos wezen met enkele wensen in mijn verbeelding: Bestaat de mens überhaupt nog wel, ik mag hopen van wel?, toch?

Het is troosteloos en het zegt niets meer terug als ik het uitschreeuw van wanhoop.
Op dat moment is er geen God geen en geen echt persoon die een arm om mij heen kan slaan, ook al zal dit gebeuren dan is het nog nietszeggende gebakkenlucht.

Ik hunker altijd naar een echte knuffel, krijg ik die knuffel dan is het geen echte knuffel.
De ‘ander’ de mens allesomvattend:  Het zijn de eindeloze van het zelf ego’s van wezens die op mensen lijken zonder dat het mensen zijn.

Hoe ik dit kloddertje verf wil omzetten in iets moois, maar dat gaat niet lukken als er geen externe fysieke linnendoek of klei poppetje aanwezig zijn.

Mijn enige wanhoop is het vensterraam ‘Mijn handicap’

De dans die  dan mijn handicap lijkt zal ten treure door galmen in het minderwaardige mensen bestaan, zo ervaar ik het!

Vanuit dat handicap perspectief zal ik nooit de mens leren kennen en enkel hen lichamelijkheid ervaren als een bonte stoet van oordelen, vooroordelen die ten treurige door gaan maar zich nooit laten begrijpen.

Steeds meer krijg ik het idee dat de mens een hulpeloos zielig nietig wezen is in zijn bestaan en daardoor altijd de ander nodig heeft om zich af te zetten om uiteindelijk sterker te worden, zo lijkt het!
Dit beperkte leven vanuit het gehandicapte raam roept zich tot de orde der eenheid die niets anders is dan een zandkorrel die een luchtflits lijkt maar diep in de huid kan graven.

Mensen hebben altijd rugzakjes en daar komt ook een hoop ruis te voorschijn, niet omdat de mens bewustzijn van alle zaken in het leven is maar juist niet het bewustzijn hebben om zich tot ware schoonheden te ontwikkelen met een reine ziel die de ander goed kan doorgronden.
Men doet gelukkig een poging om zijn of haar best te doen maar dat wil vaak niet lukken, de mens is daar veel te beperkt voor en schuilt zich daardoor achter een klein raampje waar een zielig poppetje zit te janken, ik wil ontsnappen!: Niet getreurd er valt niets te ontsnappen enkel te schijn-overleven!

En dat doet denkbeeldig heel erg zeer, als ik hier aan denk!

Maar het is wel een soort van verlichtende werking op mijn geest: De denkbeeldige ander als een vijand!

De mens is een klodder verf dat gemengd moet worden en uiteindelijk omtovert tot een gitzwart soepje van alle kleuren door elkaar.

Dit is wat men eenheid noemt.
Vandaar dat de klodder verf netjes gecentreerd blijft met nette grenzen daarom heen. Maar na het mengen wordt een basaal soepje van zwart.

Het is de schijnwerkelijkheid vanuit dit handicap raam.

Maar de klodder verf is maar een verbeeldingsgrapje.
Het is zelf verzonnen: Kwak maar een verfklodder ergens neer en meng de verf goed door elkaar heen, het kan niet anders.
Kleuren lijken heel mooi maar uiteindelijk is het een waarnemer van een enkeling die zich voor doet als een enkele.

Het geeft niet, want ik ben nu de enigste verlichte persoon in de kosmos met een eigen bewustzijn die de prachten van alle kleuren in de verf mag bewonderen tot een ware regenboogland. De mens stuitert vrolijk als zwarte stuiterballen in alle klodders verf tot er uiteindelijk een kunstwerk ontstaat.

Je, mag het rotzooi vinden, maar als er ongeveer 7,5 miljard niet echte mensen op aarde zijn dan mag het wel een grote vensterraam zijn waar ik de penseel door heen kan roeren. En dan heb ik het nog niet eens over mensen maar over alle denkbeeldige levende wezens op aarde.

Als ik de mens wil begrijpen dan kijk ik naar het diepe heelal.

Daar zijn miljarden allicht oneindig veel sterrenstelsels en in elke sterrenstelsel maakt uit van ‘misschien wel meer dan’ 100 miljard sterren en miljarden planten.
Het hele heelal is zwart en de sterren zijn de klodders verf.
Het lijkt een heel vijandig veld van zwarte gaten,  gasbolletjes en materie die slechts uit energieën bestaan en bestuurt worden door zwartenkracht. Maar toch blijf er uiteindelijk niets over dan slechts veerlichte drijvende nietsen!

Het heelal is niet vijandig maar slechts een lege plek vol eenzaamheid en duisternis.
Zonder dat het heelal zich zelf zal oordelen of vooroordelen zou er hellemaal niets ontstaan en alles dood dan dood zijn.

En dit is wat het leven in een klap is.
Het is doodstil: Maar het kakelt en blaat en doet maar wat.

Er is geen absoluut externe bestaan waar alles echt objectief mooi, gelukkig en gezellig kan zijn.
De geest heeft omarmingen nodig van lawaai, kleuren, geuren, smaken, geluiden, rotzooi, objecten en het nietszeggende allesomvattende ervarende lichamelijkheid.

Een objectief heelal die zijn leegte binnen de leegte kan plaatsen en dan nog eens moet bewijzen dat er buiten deze nietszeggende eenheid van leegte iets moet voorstellen om iets totaal anders voor te stellen is een drogbeeld.

Er bestaat geen wereld in een wereldbeeld in een baksteengrauw kleurloos en vooral levenloos heelal.

In deze krankzinnige uiterste kan alleen een waarnemer iets voorstellen en daar is bewustzijn voor nodig, punt.

Maar als de geest dit bestaan kan realiseren dan is het stil.
De externe realiteit is slechts de geest die het doet voorstellen, maar buitende de randen van dit bestaan bestaat er niets!

En daar kan de mens niet tegen.
Het keer zich tegen zich en zal mijn bezielde treurige bestaan per direct een enkele reis geven naar een schijn werkelijkheid waar ik niemand zal begrijpen maar de ander mij begrijpt als een waardeloos geval die niets waard is en meurt als ammoniak der schimmige.

De mens als een klodder verf, eenmaal mengen basaal zwart.
Het enige wat er toe doet is het heelal om gunst vragen.

En dat is wie ik werkelijk ben en de mens schijnt te zijn.

*Wie ben ik.
Het antwoord.
#  Ik zelf.
Maar de rest dan.

Ik pak wel een penseel en maak er wel een kunstenaarspotje van.
Het zal en moet kleurrijk worden, maar het zal bijna altijd onmogelijk zijn.

Maar het is wel mijn bedoeling om alles kleurrijk te maken.

In dit bestaan is er slechts Eén liefde, zelfliefde.
Vandaar dat ik allee puppets in de show vrolijk moet inkleuren.

Ik wil niet dat zwarte klodder verf zijn die bedorven is in zijn bezielde lege bestaan.
De mens zal ooit mijn slaaf worden van mijn bestaan.

Zo niet, dan tover ik alles weg tot een zwarte klodder verf, wat het ooit is geweest is nu: Als een klodder verf slechts de mens is: Dan blijft er niets over dan basaal zwart.

Dil ik nog kwijt!!

De ander bestaat niet, klaar en daar mee uit!