Compleet anders dan anders, waarom zal ik mijn best moeten doen als de wereld lak aan mij heeft. Moet ik noodgedwongen als ik de straten op ga niemand meer begroeten elke ander wat lijkt voor mijn waarneming weg toveren!

Er is geen keuze meer mogelijk tenzij ik de diepe dalen,  het perfecte harmonieuze leven van matrealisten moet gaan omarmen.

Vaak kom ik muzieknoden tegen als ik alleen in mijzelf zit, gewoon bekommeren met mijn eigen ingebeelde fantasiefiguren ergens op een andere wereld. De wereld die mij altijd zal kunnen begrijpen.

Laat ik het zo zeggen dat de wereld tegen mij spreekt maar mijn innerlijke wereld vlijmscherp en geestig is. Wel moet ik echt op gaan passen dat er geen gevaarlijke indringers mijn wereld binnenkomen want even een stap naar buiten toe en er is geen ontspannen meer aan, aan de bittere realiteit die een grafhekel aan mij heeft.

Maar ik kak en kots ook op deze realiteit. Er moet een eerlijke compromis gemaakt worden en die is er al: Het komt er op neer als wensdenken.

Een van de 2 maar er is slechts 1 wens en dat is omringt worden door de ander en het los laten van mijn stenen ziel.

Maar dat is lariekoek want hoe meer steen ik aanraak des te meer ik het besef heb dat de stenenmuren bijvoorbeeld altijd een zelve is die zich zelf heeft gekopieerd. Hoe dieper ik over die betonnen muren na denk hoe harder ik daar op wil rammen met een mokerhamer.

Het zal toch niet dat de muur slechts een rare voorstelling is van diepgewortelde haat tegenover luchtspookkastelen.

De verbeelding spreekt, ik spreek u niet.
Alom de mens die zich beseft an het bestaan zich it.
De sprekende bomen met hen bloesems zijn een levendige omarming.
Het staat stil en het woekert van het mooie leven.

De betonnen muur is slechts de pijn in bakstenenland die zich moet voorstellen als de vijandige ander.

Ik zeg voorstelling, want verder is er hellemaal niets.

Uit die voorstelling kan ik gelukkig aannemen dat een kassajuffrouw die direct een vooroordeel heeft over mij een levendige voorstelling is die het blijk heeft van een levend machine die op de automatische piloot door scant.

Een oor in de externe realiteit die extern geluidsgolven in zich opneemt heeft geen wonderlijk ziel nodig.

Binnen het oor of liever gezegd binnen alles is slechts alles echt hoorbaar. De ziel is de wereld en de wereld flutterd en doet alles aan een stuk door. De voorstelling voorbij, maar gelukkig maar als de externe wereld voorbij schiet dan is alles slechts schijn of liever gezegd echt betekenisloos.

Iets wat voorbij schiet is de dood en slechts vluchtend tot in de kern bakstenenmuren.
Schop er tegen aan nooit meer geschopt.
Ook is de pijn een voorstelling van iets wat voorstelt wat pijn moet hebben.

Het kan toch niet zo zijn dat we in deze kille bedorven baksteenmuren wereld leven, geheel onbezield waar alleen stuiptrekkingen van vluchtige wijzergevoelens er toe doen.
Een klokslag is slechts gebakken lucht.

Daarom stelt de ene bedorven ziel de wereld voor, en de wereld gaat door zelfs als de geest slaapt.

De voorstelling van een wonderschone bloesemboom vertelt de ware aard van dit pracht.

Alles is er altijd compleet samenvallend in een bedorven eenheid.
De wortels.
De stam.
De tak.
En uiteindelijk de mooie bloemen.
Die stijgt in een blauwe hemel.
De aarde.
Andere planeten.
En het universum.
Complete eenheid, weg met het verdelen dualisme van zaken zoals denken in zwart wit.
Een telefoon is een telefoon maar dit ding kan ik neerleggen in het geheel waar de bloesemboom staat.

Alles is het zelfde en een eenheid. Alleen de taal spreekt nonsens uit.
Maar dat is ook de betekenis van dit leven.
Zolang er taalvormen zijn ‘geld ook voor lichaamstaal’ kan ik door leven met een denkbeeldig nietszeggend betekenisloze leven van het onderscheid maken tussen dingen der dingen.

En object is denkbeeldig, en die kassajuffrouw is daar slechts een van.
De ander is mijn vijand.
Maar dat is slechts schijn.
Ik polariseer mijzelf gewoon omdat ik mijzelf een gedrocht vindt omdat ik het leuk vindt om denkbeeldige martelspelletjes te spelen.

Zonder deze game is mijn bestaan inderdaad nutteloos.
Een taal-loze wereld in de verbeelding gaat niet door maar verdwijnt in zich zelf.
De ander zal kunnen bestaan maar dat was slechts schijn.

Ik tegenover de wereld, de wereld in mijn geest.

De bloesemboom is prachtig, dat zijn gewoon de feiten.
Alles eenheid.
Ik bel de bloesemboom maar.
Die spuwt en vergalt niet mijn leven omdat deze geen mensentaal spreekt.

 

 

 

 

De sierende bomen der prachten.
Zijn ze niet geweldig.